In ontmoeting met de Zwaan

In ontmoeting met De Zwaan

Persoonlijke belevenissen van Emmeline tijdens de Sjamanistische Avond (vanuit Stichting De Verbinding) met Sun Crow  (zondag 28 juli 2013).

 

                       

 

 

Eerste windrichting, Het Noorden.

Vanuit het midden van Het Medicijnwiel zag ik, in de witte ruimte die overal om me heen was, een rechte zwarte lijn liggen, ver uitreikend naar de horizon. Ik liep over de lijn rechtdoor richting Het Noorden. Ik liep en ik liep, in de verte zag ik de poort, het was een zwarte ronde boog, hoog boven mij en de zwarte lijn, het pad dat ik liep. Ik liep onder de boog door. Achter de boog verzamelde zich een grote groep zwanen om mij heen. Ze droegen glanzend witte veren, hadden zwarte poten en gele snavels. Ze schaarden zich om me heen zodat ik helemaal omgeven werd door al deze prachtige dieren. Ik voelde me veilig, beschermd. De witte omgeving om ons heen bleek van sneeuw en ijs te zijn. Ik had het niet koud, voelde me behaaglijk warm zelfs. Zo liepen we samen verder over en langs de zwarte lijn. Af en toe voelde ik een duw in mijn rug, op verschillende plekken en ook ‘in het echt’ voelde ik tintelingen op verschillende plekken op mijn rug. Alsof ik ter bemoediging een zetje kreeg zo van “Kom op, ga door, je kunt het. Aarzel en twijfel niet langer, wij zijn bij je.” Ik voelde me gedragen en beschermd. In de verte zag ik een glanzend wateroppervlak opdoemen, niet groot, het bleek een wak in het ijs te zijn. Ik wist dat ik het wak in te gaan had, het water in te duiken had. Ik dook het water in, een grote sterke zwaan dook rechts naast me mee de donkere diepte in. Ik daalde af langs lange waterplantstengels, ik wist dat de stengels naar de oppervlakte van het water uitreikten, alsof ze naar het Licht wilden groeien. Ik zag alleen maar donkerte en lange waterplantstengels om me heen en de zwaan naast me. We zwommen en doken, we zwommen en doken. Uiteindelijk kwamen we op de bodem van het water aan. De waterplantstengels kwamen uit een donkere blubber. Ik wist dat ik te graven had. Ik groef met mijn handen de donkere modder weg, ik bleef graven en graven en graven. De zwaan naast me keek toe, zweeg, moedigde me aan zonder woorden of geluid om door te zetten. Ik groef en ik groef. Totdat er onder de zwarte smurrie glanzend wit zand tevoorschijn kwam. In dat zand groeiden en bloeiden hele kleine bloempjes en plantjes. Zover ik kon kijken om me heen zag ik waterplantstengels. En overal stonden ze in de zwarte blubber en modder. Ik voelde me even moedeloos, zo van “Heb ik dat allemaal uit te graven, het is teveel, het is mij teveel.” En toen die gedachten weer wegebden kwam er in me op dat het voor Nu wel even genoeg was, dat ik voor Nu even genoeg uitgegraven had. Tijdens het graven en tijdens het verschijnen van het stralende parelende zand zag ik dat de zwarte bijna verwelkte waterplantstengels een frisse groene kleur kregen. Ik wist meteen dat er weer leven in hen kwam. Via de groene waterplantstengels zwom ik, met de zwaan nog steeds aan mij rechterzijde, omhoog, richting wateroppervlak. Ik klom uit het wak, zat even rechtop om op adem te komen en zag tot mijn verwondering dat er in het wak, dat eerst leeg en donker was, lotusbloemen en ijsbloemen bloeien. Ik wist dat ik ervan mocht genieten en dat deed ik, heerlijk en zo prachtig allemaal! Ik ging liggen, de zwanen om mij heen wapperden mij liefdevol droog met hun vleugels, de zon was gaan schijnen en warmde mij helemaal op. Ik kreeg lekkere hapjes in mijn mond gestopt door de zwanen om mij heen. Ik voelde me gekoesterd, veilig, welkom, beschermd. En plots voelde ik dat ik een jonge zwaan was. Ik voelde mijn donzig zachte velletje, ik aaide mezelf en omarmde mezelf. Ontroering, tranen welden op. En zo bleef ik daar een tijdje totdat het moment gekomen was weer terug te lopen langs de zwarte lijn, de zwanen liepen met mij mee terug. Bij de zwarte boog draaide ik me om, bedankte hen en namen we woordeloos en geluidloos afscheid van elkaar. Ik liep onder de zwarte boog door, terug naar het midden van Het Medicijnwiel.

 

Tweede Windrichting, het Oosten.

Vanuit het midden van Het Medicijnwiel zag ik een gouden pad. Het pad liep recht richting Oosten. Ik liep over het pad. Daar verderop was een hoge gouden poort, bestaande uit gouden rozen, door elkaar heen gevlochten. Aan de andere kant van de poort zag ik een zwaan staan. Ik was al aan het zingen en dansen in mijzelf en ook ‘in het echt’ voordat ik vanuit de verte Sun Crow’s stem hoorde,  dat het tijd was voor zang, muziek. En het klopte zo voor mij. Ik danste en zong met de zwaan, voelde me sierlijk, vrouwelijk, elegant. Woorden en klanken borrelden in me op, niet wetend waarvandaan, niet wetend de betekenis. Zo goed, zo vertrouwd, zo stromend en zo genietend van de samenklank, de zwanenzang, de zwanendans. Toen het tijd was om weer terug te gaan bedankte ik de zwaan met mijn ogen. Ik zag ineens dat de zwaan een gouden hart op haar borst droeg. Het hart danste naar me toe en kwam in mijn opengesperde handen te liggen. Ik wist diep van binnen dat ik dit cadeau met me mee mocht nemen, dit cadeau van de zwaan. In mijn handen ging het hart langzaam open en er verscheen een danseresje, dansend op spitzen op één been, er kwam muziek uit het hart, een speeldooshart. Ik keek en hoorde ademloos toe. Voelde intense vreugde en dankbaarheid in me opborrelen. Ik bedankte nogmaals de zwaan voor dit prachtige geschenk. Ik liep terug, onder de gouden rozenpoort door, terug naar het midden van Het Medicijnwiel.

 

De Derde Windrichting, Het Zuiden.

Vanuit het midden van Het Medicijnwiel zag ik een ietwat bochtig zandpad, omgeven door gele bloemen (paardbloemachtig), margrieten en lichtgeelglanzende riet- en strohalmen. Ik liep over het pad richting Zuiden. Ik voelde warmte en zag een grote glanzende zon aan de hemel. Het zandpad liep uit op een groot meer, ik kon de omtrek van het meer niet zien, zo groot was het. De kanten van het meer bestonden uit riethalmen, lage struiken, gele en witte bloemen. Daar kwam een grote zwaan op me af. Ik maakte met mijn hart contact met het hart van de zwaan, ik voelde me in de zwaan gaan, ik werd de zwaan. Ik bleef zo een tijdje op de kant staan, uitkijkende over het immense meer. Ik zette mijn voeten/poten rustigjes aan in het water, het water kietelde, het voelde prettig. Ik stapte verder het water in en ging zwemmen. Ik dreef en dobberde op het wateroppervlak, ik zwom en ik zwom. Ik genoot van de ruimte, het drijven, de moeiteloosheid waarmee ik vooruit kwam. Ik voelde ‘in het echt’ dat mijn lichaam zwanenzwembewegingen maakte. Ik voelde mijn nek langer worden, naar voren en achteren, naar voren en achteren, in volkomen harmonie met mijn zwembewegingen. Zo af en toe boog ik even voorover met mijn kop en nek het heldere water in. Ik graasde en ik at. En vervolgens zwom ik weer een stukje verder. Ik voelde een verlangen om te vliegen, ik wist zo zeker dat ik ook kon vliegen en voelde tegelijkertijd dat het zwemmen en dobberen voor Nu even genoeg was. Ik gaf me over en genoot. Op een gegeven moment stapte ik weer aan de kant, ik richtte me op, sloeg mijn vleugels uit, waaierde ze droog, zette mijn borst op en vooruit, strekte mijn nek en voelde me zo mateloos krachtig en mooi, prachtig en sterk in mijn gevoeligheid. Ik ben OK! Een lied borrelde in me op en ik zong, eerst in mijzelf, iets later hardop …”How could anyone ever tell you, that you’re anything less than beautiful. How could anyone ever tell you, you were less than whole. How could anyone fail to notice, that your loving is a miracle. How deeply you’re connected to my soul.” Ik bleef mijzelf een tijdje toezingen totdat het tijd was om weer terug te keren. Ik voelde me uit de zwaan wegvloeien, werd weer mijzelf in mijn mensenlichaam. Ik bedankte de zwaan met een omhelzing en liep terug, weg van het meer, terug naar het midden van Het Medicijnwiel.

 

De Vierde Windrichting, Het Westen.

Vanuit het midden van Het Medicijnwiel zag ik alleen de witte ruimte. Ik stond stil, voelde me zo vrij van angst, genoot van de immense ruimte en stilte om me heen. Geen pad te zien, geen lijn te volgen. Als het ware uit het niets verscheen er een zwaan. Hij kwam naar me toe en nodigde me uit met zijn ogen om op zijn rug te klimmen. En zo stegen we samen op, de wijdse lucht in, de hemel tegemoet. We vlogen en vlogen en vlogen. Ik voelde de wind door mijn haren wapperen, ik voelde de luchtstromen door mijn oren stromen, ik voelde de wind en lucht door mijn huid heengaan, door al mijn poriën naar binnengaan, door al mijn cellen, door al mijn chakra’s, mijn botten, mijn spieren, mijn pezen, alles werd beroerd. En we vlogen en vlogen en vlogen. En de lucht en wind bleven door me heen waaien en stromen totdat ‘het’ klaar was, althans ik voelde op een bepaald moment dat ‘het’ klaar was, geheald en gezuiverd. De zwaan vloog langzaam naar beneden, terug naar het aardoppervlak. Hij landde zachtjes en liet mij rustig, in mijn eigen tempo, afstijgen. Ik bedankte de zwaan met een buiging en een stille Namasté groet. Ik bleef staan en de zwaan loste langzaam op. Ik was weer terug in het midden van Het Medicijnwiel.

 

Harteliefs van Emmeline