Kerstverhaal: de Drie Wijzen

DE DRIE WIJZEN

 

Lang geleden leefde er eens een zeer rijk man. Hij had alles, waaraan hij maar denken kon en daarom dacht hij ook weinig. Elke dag lag hij op het balkon van zijn huis en keek tevreden omlaag naar wat hij bezat. Hij had een beeldschone vrouw, die hem innig liefhad en zij verwachtte haar eerste kind. Telkens als zij in de tuin wandelde, zag zij naar boven en glimlachte hem toe. Dan knikte hij terug en dacht: ‘Die is van mij.’ Hij keek naar de kudden, die graasden in de dalen rond zijn huis, en naar zijn schuren, die vol waren met vijgen, dadels en citroenen. En weer dacht hij: ‘Dat is allemaal van mij.’ En hij keek naar de ossenwagens, die zwaar beladen met druiven langzaam tegen de heuvel reden, waarop zijn stond en weer dacht hij: ‘Ook dit behoort mij toe.’
Op een avond lag hij op zijn rug naar de hemel te kijken, toen een bijzonder grote ster hem trof. Deze stond diep aan de horizon, maar toch glansde hij helderder dan de andere sterren. De rijke man ging rechtop zitten en voor het eerst sinds jaren kreeg hij een nieuwe gedachte. Hij belde zijn bediende en sprak:
‘Haal de wijsgeer. Ik heb een nieuwe gedachte.’
De knecht ijlde vol vreugde heen om de wijsgeer te halen, die bij zijn heer in dienst was. Deze had drie jaar niets te doen gehad, want zo lang was het al geleden dat hem het laatst een vraag gesteld was en daar had hij niet eens het antwoord op geweten. Toch sliep hij in de kamer ernaast om direct bij de hand te zijn en hij trad dan ook terstond aan de divan van zijn meester.
‘Gij hebt mij geroepen?’
‘Zeker. Ik heb een nieuwe gedachte.’
De wijsgeer wreef zich in de handen.
‘Het is deze. Niet alles is van mij.’
De wijsgeer keek verbaasd om zich heen, want zo ver het oog reikte, behoorde het land aan zijn heer.
‘Domkop’, sprak deze, ‘kijk naar boven’. Want de ster was inmiddels gerezen en stond nu recht boven hun hoofd.
‘Dat is geen ster’, antwoordde de wijsgeer, ‘het is een komeet. En kometen brengen geluk.’
‘Goed. En nu is mijn vraag: wat is geluk?’
Nu had de wijsgeer over deze vraag veel nagedacht, want zijn kamertje was klein en hij kreeg slechts te eten wat zijn meester hem overliet. Hij had gevonden dat het geluk woonde in de kamer ernaast, maar dat dorst hij niet te zeggen. Hij zweeg dus en keek naar de vrouw in de tuin, want ongetrouwd was hij ook.
‘Je weet het niet’, zei de rijke man.
‘Ik weet alleen’, antwoordde de wijsgeer, ‘dat u gelukkig bent’.
‘Dat noemt zich een wijsgeer’, sprak de rijke man schamper, ‘en hij weet niet eens, dat aan het geluk niets ontbreken mag. De sterren zijn van mij. Ze staan onbeweeglijk boven mijn hoofd en ze behoren mij toe. Ik kan erop rekenen. Maar een komeet beweegt. Morgen behoort hij een ander. Welnu, geluk is volmaakt. Ontbreekt er iets aan, dan is het geen geluk. Ik ben dus niet gelukkig en dat is mijn nieuwste gedachte.’
De wijsgeer wist hier geen antwoord op, want de rijke man was zuinig en had niet de beste wijsgeer genomen.
‘Haal drie andere wijsgeren’, sprak de rijke man, ‘want als mijn zoon geboren wordt, moet hij weten dat hij volmaakt gelukkig is.’
Nu waren er die dag juist drie wijzen in de stad gekomen. De rijke man liet hen ieder een zak dadels brengen. De wijzen deelden de dadels aan de armen uit, maar behielden de zakken, want die konden hun nog van pas komen.
‘Ik wil helemaal gelukkig zijn’, zei de rijke man.
De wijzen knikten, want dit was hun bekend.
‘Wie van jullie is de wijste?’ vroeg de rijke man.
‘Het wijst is hij, die het minst meent te weten.’
‘Wie van jullie weet dan het minst?’
De drie wijzen traden tegelijk naar voren.
‘Zo komen we niet verder’, sprak de rijke man, ‘laat de twee anderen wachten in de kamer hiernaast, de derde blijft.’
De twee bogen en gingen heen. De rijke man sprak nu tot de wijze, die overbleef:
‘Hoe kan ik het geluk vinden?’
‘Door er niet naar te zoeken’, antwoordde de wijze.
De man dacht hierover na, maar begrijpen deed hij het niet.
‘Wat is dan het geluk?’ vroeg hij.
‘Het geluk’, antwoordde de wijze, ‘is een toegift op iets anders.’
‘Kan ik het herkennen?’
‘Wij herkennen het, als het voorbij is.’
‘Hier heb ik helemaal niets aan’, antwoordde de rijke man, ‘ga heen en roep de tweede.’
De eerste wijze boog en de tweede trad binnen.
‘Hoe kan ik gelukkig worden?’ vroeg de rijke man.
‘Door niets te verwachten’, antwoordde de wijze.
‘Zijt gij gelukkig?’
‘Als ik dat wist, zou ik het niet meer zijn.’
‘Waar is het geluk?’
‘Het geluk is daar, waar men niet is.’
‘Zeer diepzinnig’, sprak de rijke man, ‘maar ik ben niets verder gekomen. Ga heen en roep de derde.’
De tweede wijze boog en de derde trad binnen.
‘Wie vindt het geluk?’ vroeg de rijke man.
‘Die het niet nodig heeft’, antwoordde de wijze.
‘Wat ben ik, als al mijn wensen vervuld zijn?’
‘Een man zonder verlangens.’
‘Is dat het geluk?’
‘Nee. Het is de verzadiging.’
‘Buitengewoon’, sprak de rijke man, ‘en ga nu heen.’
En ook de derde wijze boog en ging.
De rijke man dacht over alles wat hij gehoord had nog enkele ogenblikken na, want hij had ervoor betaald en de dadels waren dat jaar schaars. Toen ging hij naar buiten om in de frisse lucht te zijn. En voor zijn deur vond hij de drie wijzen. Zij zaten op de stoep en hielden hun linnen zakken wijd geopend voor zich. De voorbijgangers wierpen er geld in en toen er genoeg was om die dag geen honger te hebben, stonden zij op en kochten wat dadels. De rijke man keek toe, hoe zij die aten en zei:
‘Het is een zachte avond. Ik zou graag nog wat bij u zijn.’
‘Eet dan met ons mee’, antwoordden de wijzen.
De rijke man zette zich tussen hen in en deelde hun maal. Er woei een zoele wind en boven zijn hoofd schitterden duizenden sterren. Zij bewogen niet en ook die ene ster stond onbeweeglijk. Dit vervulde de rijke man met grote vreugde.
‘Ik ben nu bijna gelukkig’, zei hij, ‘maar nog niet helemaal. Dadelijk gaat hij weer bewegen. Kunt gij niet hier blijven? Dan zou ik het volledig zijn.’
De drie wijzen zwegen, alsof zij nog op iets wachtten.
‘Ik begrijp u’, vervolgde de rijke man, ‘ik zal u ieder wat schenken.’
‘Wij hebben niets nodig’, antwoordden de wijzen.
‘Ik weet het’, zei de rijke man, ‘dat geeft ge toch maar aan de armen. Het zal een geschenk zijn, alleen voor u bestemd.’
Hij klapte in zijn handen en sprak tot zijn bediende: ‘Breng drie geschenken hier, maar het moet iets bijzonders zijn.’
De bediende bracht nu drie pakjes en ieder van de drie wijzen kreeg het zijne. Zij maakten het niet open en toch glansden hun ogen van vreugde.
‘Omdat ge juist dit gegeven hebt’, sprak de oudste van hen, die ook donkerder was, ‘moogt ge met ons mee. Want juist hierop hebben we gewacht.’
Het gezicht van de rijke betrok. ‘Mee?’ riep hij, ‘jullie blijven toch hier!’
‘Dat kan niet.’
‘Waarom?’
‘Omdat ook wij onder die ster willen zijn. Hij staat nu stil en daarom rusten wij. Maar zodra hij beweegt, gaan we weer verder. Reis met ons mee.’
‘Achter een ster aanlopen?’ riep de rijke man, ‘en huis en hof verlaten?’
‘Dat hebben wij ook gedaan’, antwoordde een van de drie, ‘en wij hadden meer dan u.’
‘Nooit.’
‘Denk na’, sprak de wijze dringend, ‘want uw wens is bijna vervuld.’
Maar de rijke man ging naar binnen en sloeg de deur achter zich in het slot. Voor hij naar bed ging, toefde hij nog even voor het raam en keek naar boven. De ster was weg.
‘Wat heb je die mensen gegeven?’ vroeg hij zijn bediende.
De man stond eerbiedig op. ‘Een klomp goud’, antwoordde hij, ‘een doos met wierook en een zeldzame specerij, die mirre heet.’
Diep beneden in het huis klonk het schreien van een kind.
‘Wat is dat?’
‘Een zoon. Uw eerstgeborene.’
De rijke man huiverde. Want de nacht was koel geworden.

uit: Het hele jaar rond … van Sinterklaas tot Sintemaarten

door Godfried Bomans