Kerstverhaal: de Herinnering

DE HERINNERING

Juffrouw Brennemeijer legde de breipennen in haar schoot en boog aandachtig haar hoofd opzij. Nu hoorde zij het toch weer. Een zacht slepend geluid, alsof iemand ingehouden huilde. Dat kon niemand anders zijn dan de oude mevrouw Klaassen die op de kamer boven haar woonde. Juffrouw Brennemeijer keek op haar horloge. Half elf … en om negen uur en kwart voor tien had ze het toch ook al gehoord. Zou dat mens nu al die tijd …
Geïrriteerd pakte zij haar breiwerk weer op. Ze wist wel hoe het kwam, ieder jaar op kerstavond was het hetzelfde liedje. Twintig jaar terug was de man van mevrouw Klaassen weggelopen. Uitgerekend op kerstavond. De schoft! Nooit had hij meer iets van zich laten horen. Wie deed nou zoiets? Maar ieder jaar op kerstavond hoorde juffrouw Brennemeijer dat zachte gesnik. Kon zij er wat aan doen? En uitgerekend vanavond weer. Nu zij haar baas had uitgenodigd om na de kerstmis in de kerk een paar broodjes bij haar te komen eten. Hij was al jaren weduwnaar, och arme, maar best een aantrekkelijke man.

In zachte cadans gleden de tranen over de wangen van mevrouw Klaassen. In haar handen hield ze een stukgewreven foto. Ik hield toch van je, Wim. Niet meer aan denken. Al twintig jaar lang op dezelfde avond, kerstavond nota bene, niet meer aan denken. Maar zoiets is onmogelijk. Dat kan geen mens opbrengen. Mevrouw Klaassen pakte een schone zakdoek, sprenkelde er wat Boldoot op en hield hem onder haar neus. Even rustig bijkomen. Iets anders doen, maar wat? Ze kon er niet meer tegenop. En ieder jaar werd het erger, terwijl je toch zou denken dat het juist sleet.
Moeizaam scharrelde het oudje uit haar stoel, wreef even doelloos met haar rechterhand over het dressoir en liep naar het raam. Ze staarde naar beneden. Ze woonde driehoog. Zou ze …

‘Ah, daar bent u, meneer Van Henegouwen. Koud, is het niet? Kom vlug binnen en trek uw jas uit.’
‘Dank u, juffrouw Brennemeijer. Kijk eens wat ik heb meegebracht. Niet zeggen dat ik het niet had moeten doen, want ik heb het juist met plezier gedaan. Bloemen voor u, waar u hopelijk lang van zult genieten, én een flesje wijn waar wij straks van zullen genieten, hoop ik. Wat hoor ik toch?’
‘Dat is de oude mevrouw Klaassen die hierboven woont’, zei juffrouw Brennemeijer geërgerd. ‘Twintig jaar geleden is haar man weggelopen op kerstavond en daar moet ze nog altijd ieder jaar om huilen. Het verhoogt de sfeer niet, dat kan ik u wel zeggen. En er is ook geen ziel die naar haar omkijkt.’
Van Henegouwen keek naar het plafond. ‘Het is me toch wat, zo’n mensje. En geen familielid dat naar haar omkijkt? In wat voor wereld leven we toch?’
‘En ik bemoei me er niet mee, meneer Van Henegouwen. Je moet als buren ook afstand kunnen bewaren, respect hebben voor elkaars privé-leven. Ze zou het waarschijnlijk helemaal niet prettig vinden als ik haar nu aansprak en bovendien, voor je het weet zit zo iemand de hele week bij je met allerlei ellendeverhalen.’
”t Is wat u zegt, juffrouw Brennemeijer. Zeg, zullen we even een klein glaasje, we hebben nog alle tijd voor de mis begint.’

Met glansloze ogen keek mevrouw Klaassen naar de wijzers van de klok. Het was nu kerstnacht. Buiten luidden de klokken van de kerk waar de kerstmis was afgelopen. Meneer pastoor had het ongetwijfeld weer goed gedaan. Die kon zo mooi spreken. Zelf bezocht ze de kerstmis allang niet meer. In het begin nog wel. Maar na een paar keer was zij tijdens de mis opeens in snikken uitgebarsten omdat de wrede herinnering haar te veel was geworden. Waarom werd die niet minder, maar juist sterker bij haar? Ze hadden haar aangekeken. Gek mens. Wie huilde er nu zomaar opeens in de kerk? Degenen die het wisten keken er ook van op. Moest dat nou, het was immers al weer wat jaren geleden? Een mens moest zich toch ergens overheen kunnen zetten? Sindsdien was mevrouw Klaassen niet meer naar de kerstmis geweest.
Hortend begon ze weer te huilen. Geen familie, geen vrienden, maar wel zo’n herinnering. Wat moest ze nou nog? En nog twee dagen kerst voor de boeg. Ze had er geen zin meer in. Al lang niet meer. Nee, ze had geen zin meer.
Mevrouw Klaassen stond vermoeid op en zocht in haar nachtkastje twee paar panty’s uit. Een brief? Nee, waarom. Brieven schrijven had alleen zin als je wat te zeggen had, dacht ze. Ze pakte de keukenstoel, zette die tegen de muur, klom erop en knoopte langzaam de panty’s vast aan de verwarmingsbuizen die vlak onder het plafond liepen. Ze huilde weer.

‘Hè, lekker toch zo’n warm huis als je van buiten komt.’ Van Henegouwen hielp juffrouw Brennemeijer uit haar jas en deed de zijne ook uit. ‘En nu gezellig een paar broodjes. Die zullen best smaken.’
Hij opende de kamerdeur voor zijn gastvrouw. Verwonderd hield hij stil. ‘Wat hoor ik nu?’
‘Ze huilt weer. Dat hoor ik nu iedere kerstavond. Ach, ze zal zo wel naar bed gaan.’
‘Zo’n mensje toch.’ Van Henegouwen nam plaats aan tafel en liet zich bedienen. ‘Juffrouw Brennemeijer, nu we toch even rustig zitten wil ik graag van de gelegenheid gebruikmaken om u in mijn functie als voorzitter te bedanken voor het feit dat u plaats hebt willen nemen in ons plaatselijk bestuur van ‘Aandacht Voor Anderen’. Er is immers nog zoveel werk te doen op dat terrein.’
‘Ik doe het graag, meneer Van Henegouwen. Er zijn er genoeg die onze hulp kunnen gebruiken. Moeilijk opvoedbare kinderen, bijstandsmoeders, ouderen van dagen. Persoonlijk zou ik graag mijn aandacht willen besteden aan de alleenstaanden die op enigerlei wijze hulp behoeven.’
‘Een heel mooi streven, juffrouw Brennemeijer. Wij kunnen uw hulp en inzet hard gebruiken. Zal ik ons even inschenken?’
Boven viel een stoel om.
Met het glas in de hand keken beiden omhoog. ‘Ze ziet waarschijnlijk slecht met die betraande ogen’, zei juffrouw Brennemeijer.
‘Het is toch wat’, vulde de heer Van Henegouwen aan. ‘Kom, juffrouw Brennemeijer, laten we klinken op een zalig kerstfeest.’
De twee glazen raakten elkaar in een vrolijke tinkeling.

uit: Het alternatieve kerstboek – ISBN 90-6555-406-8 door Gerrit Jan Bel