Kerstverhaal: KERSTFEEST IN DE SCHAAPSKOOI

KERSTFEEST IN DE SCHAAPSKOOI

Het is helemaal vol in het mooie grote hotel-restaurant van de familie Van der Berg. De zaken gaan goed. Meneer en mevrouw Van der Berg zijn erg tevreden. Telkens zien zij weer bekende gezichten terug die herinnering aan hun heerlijke keukenniet kunnen vergeten. Maar het is wel een heel druk leven met weinig vrije tijd.
Degenen die dat nog het meeste merken zijn hun zoon Hans en hun dochter Jolien. Hans is negen en Jolien is net elf jaar geworden. Boven het restaurant heeft de familie Van der Berg een heel gezellig huis met voor de kinderen allebei een eigen kamer vol dierbare bezittingen. hans en Jolien hebben alles wat hun hartje begeert. Niet alleen speelgoed, maar ook een heleboel dieren. Twee grote honden, een kat, vier konijnen, kippen, een oude ezel, een geit en vier wollige schapen. Wie zou daar niet jaloers op zijn? Een huis zo heerlijk buiten het dorp, waar je altijd vrij kunt spelen. Een huis waar het ook altijd naar lekker eten ruikt en een huis waar eigenlijk niemand op je let zolang je maar niet in de weg loopt.
De vriendjes van Hans en Jolien zijn vaak jaloers. ‘Die twee’, vertellen ze thuis, ‘die twee hebben ook alles!’ Ze komen graag spelen bij de kinderen Van der Berg en als ze dan mogen blijven eten is het feest helemaal compleet.
Maar Hans en Jolien denken er toch een beetje anders over. Ze hebben inderdaad bijna alles wat hun hart begeert. Alleen dat wat ze het liefst zouden hebben moeten ze nu juist zo vaak missen: hun vader en moeder. Die zijn altijd bezig en nooit is er eens een middagje over om iets met elkaar te doen. Het hotel-restaurant is het gehele jaar geopend en zodoende is het huis nooit eens helemaal voor hen alleen. Altijd zien ze vreemde mensen. Aardige mensen, maar ook heel vaak lastige mensen. Ook logeren er vaak mensen met kleine kinderen. Hans en Jolien moeten dan de dieren laten zien en vriendelijk en geduldig zijn, terwijl ze daar soms helemaal geen zin in hebben.

Volgende week is het weer kerstmis. De kersttijd is altijd gezellig. Op school leren ze mooie liederen voor een kerstspel dat helemaal gezongen wordt. Iedere morgen mag de adventskrans even branden en de meester heeft dennentakken opgehangen die de kinderen hebben versierd met zelfgemaakte voorwerpjes.
Maar de kerstdagen thuis zijn weinig anders dan de andere dagen. In de hal van het hotel staat wel een prachtige kerstboom. In de eetzaal staan overal kerststukjes en door netjes verborgen luidsprekers klinkt zachte kerstmuziek. Met de kerstdagen is het hotel meestal afgeladen en extra obers lopen af en aan om de gasten op hun wenken te bedienen. Vader en moeder komen handen en ogen tekort om alles in de gaten te houden. Vader kan er allemaal best tegen. Maar de kinderen zien heel goed dat hun moeder soms amper nog op haar benen kan staan. Wat zou het fijn zijn met z’n viertjes boven te zitten rondom een eigen kerstboom. En dan beneden de boel de boel te laten.
Ze begrijpen wel dat het niet anders kan, maar ze worden er allebei toch een beetje verdrietig van. ‘Ik heb er niets geen zin in om op kerstdag beneden met het personeel aan de zogenaamde kersttafel te zitten’, moppert Hans. ‘En ook niet boven met z’n tweetjes’, zegt Jolien. ‘We gaan iets bedenken, Hans; als het dan niet anders kan, vieren we het gewoon samen.’
‘Of met de dieren’, zegt Hans opeens. Dan beginnen de ogen van Jolien te glimmen. ‘Ik heb een plan Hans, een plan dat je nooit zou kunnen raden. Wij vieren dit jaar geen kerstmis in de keuken, maar buiten in onze eigen schaapskooi.’
In de schaapskooi met de dieren, dat zou inderdaad iets heel bijzonders kunnen zijn. Achter het restaurant staat een geheel gerestaureerde oude schaapskooi waar de gasten ’s zomers een kopje koffie of thee kunnen drinken. Er staan tafels, stoelen, er is een kleine kantine en een hele grote open haard. In de winter wordt de schaapskooi niet gebruikt omdat er geen verwarming is. De open haard zou de gehele ruimte niet zo kunnen verwarmen dat de gasten het aangenaam vonden. Alles staat nu in elkaar geschoven want niemand heeft er iets te zoeken.
Hans is geweldig enthousiast over het idee van zijn zus en samen gaan ze hun plan uitwerken. De volgende middag al vertrekken ze met twee manden vol spullen die ze nodig denken te hebben. Ook nu is er niemand die de kinderen bepakt en bezakt naar de schaapskooi ziet verdwijnen.
De sleutel was niet moeilijk te vinden, die hing beneden aan het bord met alle andere kamersleutels. Als ze eenmaal in de schaapskooi zijn lopen de rillingen over hun rug. Wat is het er vochtig en wat ruikt het muf. Vlug draaien zij de lichtknop om. Brrrrr, wat ongezellig ziet het er allemaal uit. Maar ze zijn vastbesloten dat te veranderen en gaan meteen aan het werk. Aan twee kanten van de open haard halen ze de tafels en stoelen weg zodat er om de stookplaats een flinke ruimte ontstaat. Om de kilte een beetje te verdrijven begint Hans met het bouwen van een vuurtje. Brandhout ligt er nog genoeg. En al snel knettert en knappert het vuur. Jolien bezemt de leeggekomen ruimte schoon en zet er een grote tafel neer. Ziezo, nu kunnen ze lekker aan de gang gaan.
Ze trekken de tafel zo dicht mogelijk bij het vuur. Hans wil het niet te hoog opstoken. Stel je voor dat iemand in de gaten krijgt dat ze hier bezig zijn. Nee, hun plan mag niet mislukken.
Van alles komt er uit de mand tevoorschijn. Rollen oud behang, een schaar, spijkers, een hamer, kwasten, verf, potloden, lijm en nog veel meer. Samen schetsen ze nu een heel groot veld met struiken en bossen. Op het veld lopen schapen en hier en daar een herder. Tjonge, dat valt nog lang niet mee. Straks als ze alles een kleurtje gaan geven lijkt het misschien veel echter. Als je maar kunt zien dat het schapen en herders zijn, dan is het al mooi genoeg. Nu komen de verf en de kwasten aan de beurt. Zonder op of om te kijken werken Hans en Jolien door. Het wordt een pracht schildering. En als ze eenmaal het grote werkstuk aan twee kanten van de open haard gehangen hebben zijn ze er zelf stil van.
‘Het is net echt Jolien’, zegt Hans. ‘Die herders en dat brandende haardvuur in het midden. De ster hoort er alleen nog bij. De ster die we thuis in de kerstdoos hebben liggen. Die hangen we morgen helemaal boven in de nok van het dak.’
Het is tijd om naar huis te gaan. Zorgvuldig maken zij het vuur uit en sluiten de staldeur achter zich.
Moeder is juist boven haar haren aan het wassen en vraagt of de kinderen fijn gespeeld hebben. Als ze hun blijde gezichten ziet is ze gelukkig en denkt: fijn dat ze toch niet zo onder onze drukke bezigheden lijden. Die twee vermaken zich altijd best.

Deze avond eten ze eens gezellig met z’n drietjes en Hans en Jolien vertellen over het mooie kerstspel van school waar ze aan meedoen. Het kerstspel wordt op de laatste schooldag voor de vakantie ’s avonds om zeven uur opgevoerd.
‘Zou je kunnen komen, mam?’ bedelt Jolien. ‘Het is zo mooi. Ik weet zeker dat je ervan zult genieten. Even kunnen ze je toch wel missen?’
Moeder lacht, maar ze belooft niets. Wel besluit ze alles op alles te zetten om voor de grote drukte nog even aandacht aan haar kinderen te kunnen besteden.
Als moeder weer naar beneden is en Hans en Jolien de boel afwassen bespreken ze wat er allemaal nog meer moet gebeuren. Bij de boer willen ze nog wat stro halen voor Ziep, de ezel, en voor de schapen en de konijnen.
Pas op het allerlaatste moment zullen ze tegen hun ouders zeggen dat ze de kerstmaaltijd liever niet met het personeel beneden in de keuken willen gebruiken. Het kan nu eenmaal nooit gezellig zijn want niet iedereen kan gelijk aan tafel. Bovendien is vader helemaal niet eens aanwezig. Wel zielig voor moeder, want ze probeert er toch altijd nog iets van te maken. De kersttafel wordt door haar met hulsttakjes en rood lint versierd en bij ieders bord ligt altijd een klein presentje. Maar toch is dat niet het kerstfeest zoals de kinderen zich het voorstellen.
‘Je moet blijdschap in je hart voelen’, zegt de meester altijd.
In al die drukte is dat gewoon onmogelijk. Nu zullen zij het samen met de dieren proberen. In het hooi, bij het haardvuur met hun fluiten en hun kaarsen.
Jolien heeft in stilte medelijden met haar ouders. Zouden zij het ook niet liever anders willen? Zouden ze ook niet graag met hen naar de kerstdienst gaan in plaats van andere mensen te verzorgen die kerstmis niet eens in hun eigen huis maar in een hotel willen vieren? Misschien konden ze moeder een half uurtje vrij praten.
Wat zou ze genieten samen met hen in de schaapskooi. Zij moest dan het kerstverhaal vertellen en Hans en Jolien zouden voor haar op de fluit spelen.
Met de dag werd de schaapskooi mooier. Hun geheim was gelukkig nog steeds een geheim gebleven. Verlangend zagen ze deze keer naar hun eigen kerstfeest uit. Maar eerst nog het kerstzangspel op de school.

In het gymlokaal was een prachtig podium gebouwd met aan de zijkant een mooie kerstboom vol zilveren ballen en elektrische kaarsjes. Eindelijk was het dan zo ver. Voor de laatste keer hadden zij het zangspel geoefend en tot slot had de meester even de kaarsjes in de kerstboom aangestoken die ’s avonds het podium zouden verlichten. Opgewonden verlieten zij de school; allemaal verheugden ze zich op de komende avond en de aanwezigheid van hun ouders. Jolien en Hans hadden nog niets van hun moeder gehoor. Voordat ze naar huis gingen verdwenen ze nog even in de schaapskooi om hun zang- en fluitstuk te oefenen.
Plotseling werd hun muziek verstoord door het loeien van brandweersirenes. Door het raampje zagen ze drie rode wagens met blauwe zwaailichten voorbij schieten.
‘Natuurlijk weer een kerstboom in de fik’, zei Hans. ‘Stomme mensen ook, ieder jaar weer hetzelfde liedje. Eigenlijk zou ik best zo’n goede fik eens willen zien.’
Bah, wat een nare gedachten heb jij’, verweet Jolien hem. ‘Stel je voor dat er mensen bij omgekomen zijn.’
‘Toch ga ik er voor een keertje achteraan. Kom op Jolien, pak je fiets en ga mee.’
‘Die auto’s haal je toch niet meer in’, hijgde Jolien, die inmiddels al gedwee achter haar broer aanfietste. In de verte loeide nog de sirene en tot hun grote ontsteltenis hoefden ze niet eens zo ver te fietsen. Want wat ze, toen ze de bocht omgingen, voor zich zagen was nauwelijks te geloven. De brandweerauto’s stonden geparkeerd voor hun eigen school. De politie was bezig om de inmiddels groter wordende menigte op een afstand te houden.
‘De school’, schreeuwde Hans ontsteld. ‘De school staat in de fik. Het is ons gymlokaal.’
Snel lieten ze hun fietsen tegen een boom vallen en drongen zich tussen de kijkende menigte. Al gauw kregen ze te horen dat er kortsluiting geweest was in het kerstboomsnoer. Op dat moment was er niemand in de school aanwezig geweest. Dat was waar ook; de meester had speciaal voor hen de boom nog even laten branden. En nu dit. De tranen schoten hun in de ogen. Wat moest dat verschrikkelijk voor de meester zijn. Wanhopig stonden alle juffrouwen en meesters toe te zien hoe de brandweer zijn werk deed. Een grote zware brandweerofficier liep op de hoofdonderwijzer toe en zei ‘u heeft geluk gehad meneer, we kunnen de brand tot het gymlokaal beperken.’ Maar meneer en de kinderen dachten op dit moment alleen maar aan de komende avond. Nu was al hun werk voor niets geweest. Ze hadden er zoveel tijd aan besteed en het met zoveel plezier gedaan.

Jolien en Hans hoorden hoe het hoofd wanhopig met de andere leraren stond te praten. Door de schrik was eigenlijk niemand in staat om goed na te denken. Stilletjes schoven ze dichterbij en luisterden het gesprek af. Maar de twee kinderen hoefden elkaar alleen maar aan te kijken om te weten dat ze hetzelfde plan in hun hoofd hadden. De schaapskooi! Dat was de oplossing. Ze zouden hun kerstgeheim prijs moeten geven en dan was alles opgelost. Er waren tafels en stoelen genoeg. Alle ouders zouden er gemakkelijk in kunnen. Misschien was het kerstspel in de schaapskooi nog wel veel mooier dan in het gymlokaal. Voorzichtig trokken ze de hoofdonderwijzer aan zijn mouw en vroegen hem even bij de anderen vandaan te komen. Een beetje ongeduldig liep de man met de twee kinderen mee.
‘Meester, we kunnen u helpen, als u dat tenminste wilt. We hebben een oplossing om onze kerstavond toch door te laten gaan. U moet ons geloven, het is echt waar. De schaapskooi achter ons hotel staat bijna helemaal klaar om de ouders en de kinderen te ontvangen. We hebben er de laatste week voor de kerstdagen mooie versieringen gemaakt om samen een beetje kerst te vieren als onze ouders het te druk hebben. Maar nu willen wij graag iedereen van ons werk laten meegenieten.’
Een beetje ongelovig keek het hoofd het tweetal aan. ‘Maar lieve kinderen, de schaapskooi is koud en onverwarmd. Daar kan ik toch met goed fatsoen niemand ontvangen.’
Maar Hans en Jolien hielden vol en smeekten hem dan op zijn minst naar hun werk te komen kijken. Samen liepen ze op de andere onderwijzers af en legden hun het plan van de kinderen Van der Berg voor. En omdat niemand op dat moment iets beters wist te verzinnen besloten zij het vriendelijke aanbod te accepteren.
De brand was inmiddels geblust en de school zelf was inderdaad ongedeerd gebleven. Daardoor gelukkig ook de spullen die voor het zangspel nodig waren. Nu het besluit eenmaal genomen was werden er snel allerlei taken verdeeld. Het opbellen van ouders en kinderen die nergens nog iets van af wisten. Spullen overbrengen naar de schaapskooi. En het allerbelangrijkste: de schaapskooi zelf zo inrichten dat de ouders en de kinderen er de avond plezierig door konden brengen. Er waren mensen genoeg die wilden helpen. En iedereen ging weer vol goede moed aan de gang.

Hans en Jolien fietsten als eersten terug naar huis. Ze wilden hun ouders toch ook even van de brand vertellen. Alleen hun plan zouden ze tot op het allerlaatste moment verzwegen houden.
Verschrikt luisterden vader en moeder naar hun verhaal. Wat een teleurstelling! Vooral voor Hans en Jolien. Voor hen was dit de enige kerstavond geweest waar ze een beetje gezelligheid aan beleefden en moeder was juist van plan geweest er een paar uurtjes tussenuit te glippen om haar kinderen te zien spelen.
Toen vertelden ze dat ze moesten helpen in de school omdat de meester zoveel mogelijk handen nodig had om te redden wat er nog te redden viel. Vader en moeder keken elkaar aan. Tja, dat was iets heel anders dan een feestavond en zelfs moeder was zichtbaar teleurgesteld.
De kinderen hadden zich goed gehouden en hoopten nu maar dat hun ouders het te druk hadden om op hun verdere activiteiten te letten. De schaapskooi lag wel helemaal uit het gezicht van het hotel. De hoofdonderwijzer kwam als eerste bij de stal, zijn auto volgeladen met toneelspullen. Hij zag het nog helemaal niet voor zich om in de kille ongezellige schaapskooi het kerstspel te moeten houden. Laat staan dat hij er ouders moest ontvangen. Maar toen Hans en Jolien de deur openden en het licht aangedaan hadden sloeg hij zijn handen ineen van verbazing. Hans haastte zich om zo snel mogelijk het vuur aan te krijgen. De wandschilderijen leken nu nog mooier dan anders. Even was het of het de meester duizelde. De gebluste brand in het gymlokaal, de uitvoering die nu hier over een paar uur moest plaats vinden en de halve school die nog van niets wist.
Aandachtig bekijkt hij de wandschilderingen met daartussen het inmiddels goed brandende vuur. Boven in de nok van de kooi brandt een heldere ster. De grond is belegd met hooi en voor het vuur staan twee banken en een tafel. De oude ezel Ziep en de twee schapen kijken hem verbaasd aan en kauwen rustig op het stro dat voor hen is neergelegd. Voor wie is dit allemaal zo in orde gebracht? Het lijkt wel of ze verwacht werden.
Maar Hans en Jolien zwijgen. Ze zullen nooit toegeven dat dit alles hier voor hun eigen grote kerstfeest bestemd geweest was. Het is beter dat een feest voor twee kinderen niet doorgaat dan dat het grote schoolkerstfeest in het honderd loopt. Ondertussen komen er meer mensen en kinderen de schaapskooi binnen en iedereen is even verwonderd over wat hij te zien krijgt. Met z’n allen gaan ze nu aan het werk. De op elkaar gestapelde tafels en stoelen worden gezellig neergezet. De van school meegebrachte kaarsen worden op de tafeltjes geplaatst en hier en daar hangen de meesters de door de kinderen versierde dennentakken langs de wand. De garderobe aan de zijkant kan mooi als kleedkamer dienst doen en de plaats voor het haardvuur waar het kerstspel gaat plaats vinden is eigenlijk mooier dan het ooit in de school had kunnen zijn.

Het is inmiddels zes uur geworden.
Hans en Jolien gaan naar huis om zich te verkleden en de meesters blijven in de schaapskooi achter.
Boven gekomen wacht moeder hen op. Ze is benieuwd hoe het is afgelopen met de brand en verwacht een paar roetzwarte kinderen thuis te krijgen.
‘We komen ons verkleden’, zegt Jolien vlug. ‘Het kerstspel gaat gelukkig toch door. Natuurlijk niet in de gymzaal, maar ergens anders.’
‘Dan kan ik gelukkig toch komen kijken. Zeg maar waar ik word verwacht.’
Dan kijken Hans en Jolien elkaar aan. ‘We zullen het adres voor je opschrijven. Je mag het papiertje om half zeven open maken, dan ben je nog gemakkelijk op tijd.’
Moeder begrijpt niet wat dit allemaal te betekenen heeft. Maar ze is van haar kinderen wel wat gewend. Hans en Jolien verkleden zich snel en geven haar op het allerlaatste moment het papiertje met het adres.
‘Denk erom: een brave moeder zijn en netjes doen wat we gezegd hebben’, flapt Jolien er nog vlug uit. Weg zijn de kinderen en ze haasten zich snel naar de schaapskooi. Hun harten kloppen van vreugde als ze de meesten van hun schoolkameraadjes met hun ouders de schaapskooi zien binnen gaan. Zou alles nu toch nog goed komen? Binnen brandt het haardvuur nog prachtig en de kaarsen zijn ook aangestoken. De ezel staat nu aan de muur gebonden en de twee schapen staan stilletjes naast elkaar. De kinderen die meedoen met het zangspel krijgen snel allerlei instructies waar ze moeten opkomen en staan. Het schoolorkest heeft een plaatsje achterin de schaapskooi gekregen. Het is er niet erg warm, maar van opwinding en blijdschap is er niemand die daar last van heeft. De ouders nemen met de kinderen die niet aan de opvoering deelnemen plaats op de klaargezette stoelen en kunnen al vast genieten van het prachtige decor.

Het is half zeven. Moeder opent het briefje en leest ‘de schaapskooi’. De vlammen slaan haar uit. Zijn die kinderen dol geworden? Het kerstspel van de school in die koude muffe schaapskooi? Er is niet eens verwarming daar. Zo snel ze kan rent ze de trappen af naar het kantoortje van haar man. ‘Kom mee, pa, vlug. De kinderen zijn stapeldol geworden. We moeten naar de schaapskooi.’
Ook vader schrikt en schreeuwt een instructie naar de keuken om daarna met moeder mee te gaan. Zo vlug ze kunnen rennen ze binnendoor over het donkere boslaantje naar de kooi. Daar zien ze op het open veld een heel wagenpark staan. Het duizelt hen voor de ogen. Dan klinkt er opeens door de donkere nacht: ‘komt allen tezamen.’
Ze zien hoe een stoet kinderen met brandende kaarsen in hun hand een voor een de schaapskooi binnen gaan en zachtjes sluiten zij achteraan die rij. Voor het open haardvuur staat een heel kinderkoor, terwijl de verdere ruimte gevuld wordt door ouders en kinderen. Het vuur beschijnt de wandschildering en op de tafels branden rustig dikke kaarsen. Achterin de ruimte zien zij het schoolorkest. Daar staat Hans. Vol overgave speelt hij op zijn fluit en zijn ogen stralen blij.
Jolien heeft haar ouders ontdekt en haar hart springt op van vreugde. Stilletjes gaat ze naar hen toe en duwt ze vlak vooraan op twee vrijgehouden stoelen. Moeders ogen glanzen van de tranen en vader slaat zijn arm om haar heen. Nu zijn ze er toch even samen uit, denkt Jolien en dan wijdt ze zich verder aan de rol die ze deze avond spelen moet.

Nog niet één keer hebben de kinderen zo mooi gezongen en het orkest zo zuiver gespeeld. Even voor het einde verlaat vader de schaapskooi. Hij wil graag een kleine bijdrage leveren aan deze fijne avond. Vlug weet hij in het hotel het een en ander te regelen en zelfs enkele gasten over te halen om nog even getuige te zijn van een bijzonder schouwspel.
Op het moment dat het laatste lied gezongen wordt komt vader met het groepje mensen binnen. Zij hebben kannen vol chocolademelk en een schaal met tulband bij zich om de gasten en de spelers te onthalen.
Als iedereen van het heerlijks heeft genoten vraagt de hoofdmeester nog even om aandacht. Hij kan niet nalaten om de redders van deze avond toch bij de naam te noemen en hen te bedanken voor hun geweldige plan dat deze avond tot iets onvergetelijks heeft gemaakt. Met rode wangen staan Hans en Jolien voor hun eigen schildering terwijl een luid applaus door de schaapskooi klinkt.
Tot slot vraagt de hoofdonderwijzer iedereen mee te willen zingen met het oude lied: ‘Stille nacht’. Op dat moment opent vader de grote achterdeuren van de schaapskooi. Een felle koude komt naar binnen. Maar de gasten kijken naar een door de volle maan beschenen landschap met daarboven een prachtige heldere sterrenhemel. Een stille nacht, een Heilige nacht.
En zo verdwenen alle bezoekers van de schaapskooi in de stille winternacht met een dankbaar en vredig gevoel.
Toen iedereen naar huis was en de gasten terug in het hotel, kwamen vader en moeder nog even boven bij de kinderen. Nu pas kregen zij te horen hoe dit allemaal mogelijk was geweest. Als volwassenen hadden vader en moeder deze avond iets van hun eigen kinderen geleerd en zij dankten God daarvoor in stilte.

De volgende avond, nadat de kerstdiners beëindigd waren, trokken vier mensen naar de schaapskooi. Twee kinderen met hun fluit. Twee ouders die bijna vergeten waren dat er in hun jachtige leven nog andere dingen bestonden dan alleen hun werk.
Toen het haardvuur brandde en zij stil van het samenzijn genoten, las vader het kerstverhaal. Het verhaal van het Wonder, het Licht en de Vrede. Het verhaal dat altijd weer nieuw zou zijn en dat hen hier had samengebracht om te zijn wat het kind Jezus van hen verlangde. Mensen die elkaar begrijpen en liefhebben. Mensen met een gelukkig hart.
Heel laat liepen ze ’s avonds door de boslaan terug. In de verte zagen ze de mensen in het hotel aan feestelijk verlichte tafels zitten. Ze wisten alle vier dat dat altijd zo zou blijven, ieder kerstfeest weer. Dat hoorde nu eenmaal ook een beetje bij het leven van hun alle vier.
Maar het was eigenlijk de brand in de school geweest die er toe bijgedragen had dat twee kinderen hun ouders zonder veel woorden hadden laten weten wat ze bijna vergeten hadden.
En ze wisten ook dat dit niet alleen voor de kerst zou gelden, maar gewoon het hele jaar door.

uit: Het tweede grote kerstvertelboek – ISBN 90-266-4112-5 door Ingrid van der Heijden