Kerstverhaal: kerstsprookje

Het was drie dagen voor Kerstmis. De nacht viel en de stad lag er verlaten bij. Rond het licht van de lantaarnpalen zag je sneeuwvlokken naar beneden dwarrelen, en overal achter de ramen van de huizen flikkerden lichtjes van kleine en grote kerstbomen. Het was bitter koud en niemand waagde zich op straat. Bijna niemand… .

Want plots kwamen er drie mannen over het marktplein gegaan. Bij de kerk bleven ze staan. Vliegensvlug haalden ze spuitbussen uit hun zak en spoten op de muur: ‘Vreemdelingen buiten!’ Dan staken ze het marktplein over en gooiden een steen door de ruit van een Turkse winkel. Ook de winkelruit van de Pakistaanse kruidenier moest eraan geloven.
Even vlug als ze gekomen waren, verdwenen ze weer. Kennelijk had niemand iets gezien of gehoord, want alle gordijnen bleven dicht.

Alleen in de Turkse winkel was deining ontstaan.
“Nu is het genoeg geweest! Ik ben weg” zei de fles Raki boos.
“Waar wil je naartoe?” vroeg het Turks fruit nieuwsgierig.
“Terug naar huis natuurlijk”, zei de fles, “naar het Zuiden, waar we thuishoren.”
“Dat is een schitterend idee”, riep de appelthee vrolijk. “Het wordt hier almaar erger. We doen gewoon wat op de muur staat: ‘Vreemdelingen buiten.”

Het idee verpreidde zich als een lopend vuurtje door de straat, door de stad, door het hele land. Alle buitenlandse producten vonden het prachtig. Ze zouden de mensen eens laten zien waar ze vandaan kwamen en hoe belangrijk zij wel waren.

En ja hoor, midden in de nacht sprongen de deuren van winkels open en ontstond er een ongelooflijke drukte. Eerst kwamen er pakjes cacao naar buiten, gevolgd door repen chocolade en pralines in kerstverpakking. Zij wilden naar West-Afrika, want daar hoorde de cacao thuis. Wat verder ontmoetten ze alle soorten koffie: gemalen, in bonen, potjes met oploskoffie… Een deel trok ook naar Afrika, naar Oeganda en Kenia, maar een ander deel was afkomstig van Colombia en Guatemala.

De ananas en de bananen kropen uit hun kisten, de passievruchten en de kiwi’s rolden met een rotvaart de heuvels af, en toen al het vreemd fruit uit de warme, zuiderse landen verdwenen was, lagen de Belgische appelen wat zielig te kijken tussen de lege kisten.

De peperkoeken en een hele reeks gebakjes twijfelden even. Zij waren wel gemaakt van meel uit België, maar hun pittige, kruidige smaak hadden ze van specerijen uit India: kruidnagel, peper, saffraan, kaneel… Ze zouden niet meer te eten zijn als de specerijen vertrokken. Daarom besloten ze maar in hun geheel op te stappen.

De sinterklazen van speculaas zagen het ook niet meer zitten. Hun ogen van amandelnoten waren al terug naar Mexico, en toen hun kruiden uit hun lijf begonnen te wriemelen, voelden ze zich zo slap worden dat ze smeekten om met hen te mogen meegaan. Het leek wel een klein legertje dat door de stad trok.

Tegen de morgen raakte het verkeer in het hele land danig in de knoop. Lange slierten Japanse auto’s reden naar het Oosten. Onderweg pikten ze de computerspelletjes op die stonden te liften, want die vonden nog wel een plaatsje tussen de tv’s en de fototoestellen waarmee ze zich volgestouwd hadden. In alle garages, op alle parkeerplaatsen en op alle wegen vielen auto’s uit elkaar. De onderdelen uit aluminium trokken terug naar Rusland, het koper naar Zimbabwe, het ijzer naar Brazilië en het rubber naar Kongo… De autobanden renden als gek achter elkaar aan en de fietsbanden probeerden te volgen. Sommige wisten niet precies waar ze vandaan kwamen, maar zeker niet uit België.

In de verkeerstoren van Zaventem heerste alarmfase 1. Op de radarschermen zagen ze alles, behalve hele vliegtuigen. De hemel zag zwart van de kerstganzen die terug naar Polen vlogen, en tussen de onderdelen van de Boeings maakten de tapijten duikvluchten op hun weg naar Teheran, Turkije en andere plekken in de wereld.

Ook voor voetgangers was de chaos levensgevaarlijk. Als je al geen stuk carrosserie tegen je kop kreeg of over een rol papier viel die terug naar het regenwoud marcheerde, dan gleed je wel uit op de olie en de benzine die overal uit de tankstations en de kelders kroop. Ze vormden hele beken die terug naar Saoedi-Arabië, naar Koeweit, naar Irak en wie weet naar welk ander ver land stroomden.

Wie voor de ontspanning wat wilde gaan voetballen of joggen, kon het vergeten. Alle sportschoenen, truitjes en broeken van Adidas, Nike, Reebok, waren voor dag en dauw naar Indonesië verdwenen waar ze gemaakt waren. De meeste mensen vonden hun kleerkast half of helemaal leeg en sommigen stonden letterlijk in hun blootje, want haast alle merkkleren -pulls, hemden, rokken, T-shirts, pyjama’s…- waren teruggekeerd naar de stiksters en breisters uit Bangladesh, China, de Filipijnen, Hong-Kong, Viëtnam, Madagaskar, Tunesië,…

Een schitterend schouwspel was de ketting van diamanten en gouden juwelen die door het land slingerde op weg naar Zuid-Afrika, Kongo, Ghana, Namibië, Sierra Leone, Angola…

Na drie dagen was de uittocht van de buitenlandse producten voltrokken, zodat er met Kerstmis in heel het land geen enkel product meer te zien was dat aan vreemdelingen herinnerde. Eigenlijk waren er in de winkels nog bitter weinig snuisterijen en lekkernijen te vinden om het kerstfeest op te vrolijken. Alleen de mensen die een echte kerstboom hadden -die van plastic of een andere kunststof waren ook de pist in- kwamen nog een beetje in de sfeer, terwijl ze stilletjes op hun eigen noten zaten te knabbelen. En in de kerk werd stiekem ‘Stille nacht’ gezongen – want eigenlijk is dat een Oostenrijks lied.

Maar één vreemd stel was gebleven: Maria, Jozef en hun pasgeboren zoontje Jezus.
Drie joden.
“Wij blijven”, zei Maria. “Want waar moeten de mensen nog warmte en vrede vinden, als wij ook weggaan? En wie zal hen dan de weg wijzen naar een wereld waar het voor alle mensen goed is om te wonen?”

(Bewerking van het verhaal naar Helmut Wöllenstein dat verschenen is in Frontaal in Mensen Onderweg 104 (2002) nr. 10, 14-15.)