Kerstverhaal: Vrouw van de Herbergier

DE VROUW VAN DE HERBERGIER

Waarom kom je terug?

om de stal weer te zien?

Elk jaar kom je terug.

Er is niets te zien.

Wijnzakken en stro.

Verwacht je iets anders? een ster misschien?

Waarom fluister je zo?

Ben je bang dat je iemand wekken zou?

Niemand heeft ze ooit terug gezien.

Waarom luister je zo? is er soms iets dat je horen wou?

het huilen van een kind? het zuchten van een vrouw?

Dat is immers jaren, jaren geleden. En wat dan nog?

wat is er geworden van die vrede?

Het is jaren geleden, dat van die vrouw.

Ik voel nog de kou van jaren geleden.

De wind lag als een slang om het huis heen gerold.

De gelagkamer was één haard

en, och Here, wat zaten we vol.

Onze eigen kamer was zelfs bezet,

de kast stond op het bed

en sommige dames waren hardop ontevreden.

Zo een volkstelling, mijn hoofd was op hol.

En beneden het gedrang

en het gezang en het drinken van de heren.

Zelfs Judith, net twaalf, hielp de meiden serveren,

doodsbleek, doodsbang.

God weet wat ze met haar deden als ze riepen:

wil je ons liedje niet leren?

Ze zaten zelfs te dobbelen op de gang.

Hoe wild de sneeuwjacht buiten was,

merkten we pas toen we in de nacht

die keurige stumpers aan de voordeur vonden.

Wat konden we doen? we zaten vol.

De vrouw kon niet meer staan.

Haar lippen bewogen.

Het was haar tijd.

De zweetdruppels stonden als parels boven haar ogen.

Ik kon ze alleen de stal laten zien.

Ik schaamde me zo om wat ik ze daar moest laten zien

de beesten, de lege zakken, het stro

en omdat je er duidelijk kon horen

hoe er voor geroepen werd om wijn.

Vlak daarop moest het kind geboren zijn.

Er werd nog steeds gedobbeld op de gang.

Het is jaren geleden, dat van dat kind.

Ik voel nog de wind van jaren geleden

en toen jij en de anderen en dat gedrang

en jullie opgewonden gezichten: waar is dat kind?

Aan heel de hemel. Het is een wonder, het is vrede.

en dat licht, een licht dat heel het huis verlichtte.

En Judith stond met open mond bij de moeder

en wist niet goed meer wat ze zei.

En de meiden brachten geen wijn meer rond

en mijn man heeft, geloof ik, psalm acht gebeden

en de heren die dorstig en ontevreden

naar hem zochten, drongen halfdronken,halfbang,

elkaar bij de deur opzij

behalve de dobbelaars op de gang.

En iedereen fluisterde zonder reden

over een nieuwe tijd, over mirakels licht aan de lucht

en over vrede.

Het is jaren geleden van dat gerucht.

Het was een gerucht.

Het is jaren geleden.

Waarom kom je terug? wat wil je zien?

Ga achter maar kijken.

Er is niets te zien

dan lege wijnzakken en wat stro.

De beesten hebben we moeten verkopen.

Het zijn slechte tijden.

Waarom staar je zo?

Ben je enkel zover

door dat weer komen lopen

om dat hele verhaal nog een keer te horen?

Mijn man heeft nog een steen

in de gevel willen zetten

‘Hier is het kind, de Verlosser, geboren!’

Het zijn slecht tijden

maar dat ‑ neen,

en dan, het was maar een gerucht.

De wijn, psalm acht, of toch een ster misschien?

Er zit sneeuw in de lucht.

God, zeg God.

Niemand heeft immers God ooit gezien

Michel van de Plas