Kerstverhalen: Een mooie kerstgedachte

EEN MOOIE KERSTGEDACHTE

‘Het is me wat moois’, mopperde de koning, terwijl hij door de koude duisternis liep. ‘Zijn we goed op dreef, stoten we net door hun linies, is er een kerstbestand. Onzin natuurlijk, maar ja, je kunt er niet omheen. De publieke opinie, de algemene kerstgedachte en zo.’
Hij stond stil en luisterde, want het was op slag van middernacht. In de verte bij het front klonk het laatste wapengekletter, toen werd het rustig. De koning keek omhoog naar de heldere sterrenhemel, als was hij hulpeloos en verslagen.
‘Nou, het is zover. Prettig kerstfeest hoor. Een kerstbestand! Wat een sullig gedoe. Hé, wat doe jij hier soldaat?’
‘Ik ben geen soldaat’, antwoordde de figuur die uit de duisternis opdoemde, ‘ik ben een engel. Maar ja, in m’n gewone kleren val ik zo op, daarom heb ik dit soldatenpak maar aangetrokken.’
De koning trok z’n wenkbrauwen op. ‘Maak dat de …’ Hij hield zijn mond toen de ander zich omdraaide en aan zijn rugzijde een sterk gebolde jas toonde. Er klonk wat geruis en warempel, er viel een veertje tussen de kleding uit.
‘Wel heb ik ooit. Een echte engel …’
‘Ja, die zie je hier niet veel’, sprak de ander bescheiden. ‘Gelukkig maar, want overal waar wordt gevochten moet ik weer vrede zien te brengen. Dus je begrijpt dat ik her en der nogal wat heb te doen. Fijn hè, zo’n bestand.’ Hij wreef zich vergenoegd in de handen.
De koning kon vel hebben. In zijn directe omgeving stond hij zelfs bekend als een beminnelijk mens, mits men het niet te bont maakte. Maar nu schoot zijn gemoed toch vol.
‘Vrede brengen! Net nu het zo lekker ging. We stonden op het punt ze in de pan te hakken en nu kom jij met je kerstbestand!’
‘Het scheelt toch gauw weer een paar honderd doden’, zei de engel zacht. ‘En ik begrijp je verontwaardiging niet. Je hebt altijd gezegd dat je het als je grootste taak zag de vrede en welvaart voor je land te bewaren en nu voer je oorlog.’
De koning keek enigszins bedremmeld naar zijn schoenpunten in de modder. ‘Zij zijn begonnen’, sprak hij zwakjes.
‘O juist, ja’, sprak de engel vlak. ‘Maar desondanks is vanochtend Kikkerbeek gesneuveld. Een fijne vent, ik kende hem goed. Ik noem maar een voorbeeldje.’
De koning vermande zich. ‘Ja ja. Het zijn ellendige zaken, ik weet het. Maar het is oorlog en dan moeten we allemaal zo onze offers brengen. Zelf kom ik er ook niet zonder kleerscheuren vanaf, moet je maar denken. Vanochtend bijvoorbeeld kreeg de lakei die het beste mijn laarzen kon poetsen een verdwaalde kogel door zijn hoofd. Een onherstelbaar verlies.’
Als een lichte huiver ritselden de vleugels van de engel onder zijn soldatenjas. Er kwam zeker een koude nacht, dacht de koning. ‘Ik weet het’, zei de vredebrenger. ‘Kikkerbeek was zijn naam. Dat zei ik toch al?’
‘… O …, heette hij zo …?’
‘Maar nu is er een bestand’, sprak de engel opgeruimd, zalig rondkijkend. ‘En het leuke is: dat blijft zo, want morgen ga je vrede sluiten.’
‘Ben je helemaal gek?!! We vermorzelen ze!’
‘Ik denk het niet, want ik weet dat, zodra de strijd weer begint, een van de eerste kanonskogels jou zal treffen. Ik wil niet uitweiden over die gebeurtenis, maar omdat dat in de maagstreek is zijn de gevolgen goed voorstelbaar. Denk alsjeblieft niet dat ik je chanteer om vrede te sluiten. Ik kan je het leven niet benemen, die mogelijkheid hebben wij engelen natuurlijk niet. Wij kunnen slechts een blik in de toekomst werpen en ik zeg je daarom alleen wat er gebeurt als de strijd weer begint. Maar je mag zelf kiezen. Ik bemoei me er niet mee …’ Hij staarde neutraal in de verte.
De koning was uiterlijk wat wit en innerlijk enigszins weeïg geworden. ‘Ik moet er niet aan denken’, stamelde hij. ‘Je moet namelijk weten dat mijn onderdanen en ik de monarchie een warm hart toedragen en ik heb nog geen erfgenaam. Een kanonskogel in de maagstreek … Het volk zou zich verraden voelen.’
‘Ja, het idee heeft zo z’n onprettige kanten’, beaamde de engel, nu de sterrenlucht observerend. ‘Natuurlijk is het mijn zaak niet, maar ik weet wel dat het volk je een wijs man zal vinden als je een bijna verslagen tegenstander ridderlijk een vredesvoorstel doet.’
De koning rechtte zijn rug. ‘Ik stond er net aan te denken’, zei hij. ‘Een mens moet zijn plichten kennen en genade voor recht kunnen doen gelden. Er zal vrede komen.’
‘Een mooie kerstgedachte’, glimlachte de engel. ‘Zo hebben we dan allebei onze taak vervuld. Kom, ik ga maar weer eens, want er is nog genoeg te doen. Ik wens je een gelukkig kerstfeest.’ En hij verdween in de duisternis.

uit: Het alternatieve kerstboek – ISBN 90-6555-406-8 door Gerrit Jan Bel